Hughes, Ted - Ik wil nooit vergeven worden

Na het lezen van de roman Jij zegt het van Connie Palmen (niet beschreven) raakte ik geïnspireerd om meer te lezen van/over Ted Hughes. Zelf een dichter en schrijver van naam, is hij toch vooral ‘beroemd’ gebleven als de man van Sylvia Plath, de dichteres die vooral na haar spectaculaire zelfmoord in 1963 wereldfaam verwierf. Hughes zou volgens vele kwade tongen de aanleiding zijn van haar zelfmoord. Toen in 1969 Hughes’ vriendin, Assia Wevill, ook zelfmoord pleegde – op dezelfde wijze als Sylvia Plath – was dat olie op het vuurtje van de kwaadsprekers. 

 

In oktober 2015 schafte ik de Nederlandse vertaling aan van een selectie van zijn brieven – verschenen in de prachtige Privé-domein serie van de Arbeiderspers - waar ik af en toe eens een paar brieven uit las. Vorig jaar las ik het ruim 530 pagina’s tellende boek uit. Waar ik op had gehoopt – inzicht in de mentale ontwikkeling van Hughes onder de heftige ervaringen in zijn liefdesleven – kwam maar voor een klein deel uit. De brieven aan de diverse correspondenten geven voornamelijk een beeld van ’s mans literaire plannen en bezigheden. Veelvuldig verliest met name de jonge Ted Hughes zich in oeverloze uiteenzettingen over verhaalideeën of de ontstaansgeschiedenis van zijn gedichten. Dit vond ik volstrekt oninteressante lectuur, waar ik dan ook steeds sneller doorheen ploegde. 

 

De lezer raakt vertrouwd met het financiële watergetrappel van de schrijver, ook nog tijdens zijn eerste huwelijk met Plath. Een echt bohémien-bestaan dat aan de buitenkant zeker romantisch aandoet. Vaak wordt er gefoeterd op de diverse studie- en andere maatschappelijke verplichtingen, terwijl hij eigenlijk maar één ding wil doen: schrijven.

 

Zijn schrijfstijl is zorgvuldig en vindingrijk. Hoe kan het ook anders bij een geboren dichter? Helemaal in de jaren van heftige verliefd- en verlustheid tussen hem en Plath. In een van de vroege brieven aan haar schrijft hij:

“Het is idioot hoe ik je mis. Ik heb vandaag rondgelopen als iemand met een half afgemaakte hersenoperatie.”

Ook de ledigheid van veel van zijn dagen waarin hij had willen schrijven, maar er niet toe kwam (zo herkenbaar), keert veel terug.

“Mijn indruk is dat ik een Everest van indolentie ben afgeroetsjt op mijn, ja, op mijn kont.”

De observaties van zijn kinderen zijn alle prachtig. Wat te denken van de beschrijving van de glimlach van zijn dochter:

“(…) die van Frieda is niets anders dan duizend kilowatt stralend licht.”

 

In 1957 verhuist het echtpaar Plath/Hughes naar Amerika, het thuisland van zijn echtgenote. Uit de brieven komt een nogal cynische kijk op deze Verenigde Staten naar voren:

“Natuurlijk is het ook waar dat een gevestigd leven in een comfortabel huis in Amerika betekent dat je een officieel genummerde val in de ratrace binnengaat.”

Verderop:

“Het eten, de algemene overdaad, is angstaanjagend. Mijn natuurlijke instinct zegt me dat ik privé wat vuil moet spuien (…) gewoon om in contact te blijven met een wereld die niet zo verschrikkelijk geplastificeerd is als deze hier.”

Over dat eten:

“Brood bestaat hier eigenlijk niet. Brood kun je niet kopen. Vijftig processen voor de verpakking erom heen ging hebben deze broden de laatste moleculen van hun oorspronkelijke graan gezien.”

“(…) ik leef mijn leven hier zoals iemand tevredenheid put uit wandelen met een verlamd been.”

 

Als de echtscheiding van het paar eindelijk rond is, schrijft Hughes:

“Al dat gedoe is verschrikkelijk geweest – vooral voor Sylvia, maar het was onvermijdelijk. (…) De factor die alleen maar heel goede vrienden kunnen begrijpen, is de uitzonderlijk dodelijke uitstraling die Sylvia kan hebben. (…) in laatste instantie is het me onmogelijk om in een huwelijk met haar te leven.”

Kort na haar zelfmoord schrijft hij aan zijn zus:

“Ik was de enige die haar had kunnen helpen, en de enige die zo afgestompt was door haar toestanden en eisen dat ik het niet herkende toen ze die hulp werkelijk nodig had.”

Aan een andere correspondent voegt hij daaraan toe:

“Geen twijfel mogelijk wie schuld treft.”

Aan de moeder van Sylvia schrijft hij:

“Ik wil mijn deel van de schuld volledig voelen, maar ik wil ook leven, en de kinderen zien leven, zonder erdoor verminkt te raken.”

De pers en met name de feministen waren met het stijgen van Sylvia’s populariteit meedogenloos over het eventuele aandeel van Hughes in haar zelfmoord. Een krant kondigde een nieuw onderzoek aan naar Hughes’ rol in het geheel:

“Langzaam verandert me dat allemaal in een monster van zelfverdediging.”

Toen in 1969 ook zijn toenmalige geliefde Assia Wevill zelfmoord pleegde, leefde hij lange tijd in ‘een waas van verbijstering’.

“Ik heb het gevoel dat mijn leven nu volkomen leeg is.”

Uit deze periode zijn maar weinig brieven opgenomen in de bundel, misschien omdat er ook gewoon minder zijn. 

 

Pas in 1987 lees ik een brief waarin hij ineens inzichten krijgt over wat er met hem is gebeurd sinds 1963 en 1969.

“Het is één ding om openbaringen te hebben – iets anders is om er je voordeel mee te doen. (…) De legende van Sylvia is nu zo uit de hand gelopen dat terloopse opmerkingen van mij volstrekt nieuwe dimensies krijgen, nieuwe monsters & catastrofen zijn voor de barden van de cultus.”

Hij spreekt van menselijke boosaardigheid, waar hij zonder twijfel zijn deel van voor de kiezen kreeg.

“De leugen heeft alles vergiftigd wat met Sylvia te maken heeft & ik moet die gifbeker drinken, waar ik ook ben. (…) Ik word nu elke ochtend om 3 of 4 uur wakker met een soort van verschrikkelijke woede over hoe ik mijn leven heb laten gijzelen door al die zalvende, zelfgenoegzame, leugenachtige huichelarij.”

Toch komt er uit de hele bundel maar een versnipperd beeld naar voren over de heksenjacht die Hughes heeft moeten ondergaan. Hij schrijft er relatief weinig over. Pas op latere leeftijd komt hij er voor uit hoe zwaar dat is geweest. Die vertraging verklaart hij later prachtig:

“Het probleem van direct schrijven over recente ervaringen is dat de herinnering eraan gewoon nog niet voldoende is voltooid.”

 

Tot de mooiere brieven behoren die waarin hij zijn opgroeiende dochter schrijfadvies geeft. In 1988 schrijft Hughes een uitvoerige brief aan Frieda, met daarin adviezen als:

“De schrijver oordeelt niet over wie dan ook; hij laat ze zien als de marionetten – in hun lijden en bezetenheid – van goed en kwaad, speelgoed van de goden.”

“Als we vanuit ons ego schrijven, worden de kleinzielige vooroordelen van ons ego het materiaal waarover we schrijven – en het is gewoon vervelend & claustrofobisch om te lezen (…)”

 

Een bijzonder lange en openhartige brief uit 1998 aan zijn zoon Nicholas – die overigens ook zelfmoord zou plegen in 2009 – is de kroon op het lezen van dit boek. Hughes beschrijft de moeilijke jaren na de zelfmoord van Plath en Wevill, en zijn worsteling om de weg naar het leven weer terug te vinden. 

“Psychisch was ik zo hopeloos in de war door het stomme leven dat ik leidde (…) ging ik echt zalmvissen. (…) Maar dat had ik innerlijk moeten doen, door aan mezelf te werken in plaats van eenvoudig gelukkige ervaringen buiten mezelf te verzamelen. (…) Wat ik al die jaren had moeten doen, was het verwerken van wat je moeder en mij was overkomen. Dat was de grote onhandelbare gebeurtenis in mijn leven waarvoor ik innerlijk toch een plaats moest vinden. (…) in alles wat ik al die jaren schreef, stond geen woord over wat ik eigenlijk moest zeggen. (…) De voortdurende ruis van de feministen en alles wat met je moeders publieke roem te maken had, maakten het me onmogelijk (…). Laat de feministen doen wat ze willen, laten mensen denken wat ze willen over mij, (…) laat je moeders academische hulptroepen me vernietigen (…) – het kan me niet meer schelen, ik kan mezelf geen week langer meer achter die glazen deur opsluiten.”

 

Eindelijk, 35 jaar na de zelfmoord van Sylvia Plath, was Hughes vrij van zijn verlammende schuldgevoel. Niet lang na het schrijven van deze brief overleed Ted Hughes.

 

Ik vermoed dat een biografie meer geschikt is om ’s mans leven te leren kennen, dan zijn brieven. Hoewel prachtig geschreven, zit er toch teveel kaf tussen het koren. 

 

Gelezen: oktober 2015 – augustus 2017

 

Boeken algemeen