Genoegen nemen met minder hoeft geen straf te zijn

Een overdenking naar aanleiding van het lezen van ‘Flirten met God’ van Koert van der Velde


Dit lijvige boek – inclusief het notenapparaat telt het 450 pagina’s – las ik in twee periodes. Het eerste deel in april 2014 en de tweede helft las ik in november van datzelfde jaar. Hoewel ik erg houd van dit soort boeken – lees: stevige kost die niet erg gemakkelijk leest – laat ik me toch snel verleiden tot het lezen van boeken die minder van mijn uithoudingsvermogen eisen. Omdat ik mijzelf de taak had gesteld een lezing over dit boek te geven, móést ik wel. Door deze stok achter de deur werd ik niet alleen gedwongen het boek ook echt uit te lezen, maar dwong het mij tevens om dieper in bepaalde materie te duiken. Dit boek bracht mijn intellectuele vermogens op het puntje van hun stoel. 


Op vrijwel iedere pagina vond ik een gedachte of formulering die mijn geest scherpt. Die mij naar het potlood deed grijpen om te onderstrepen en er in de kantlijn wat van mijn eigen hersenspinsels aan toe te voegen. 


Samenvatting

Volgens Van der Velde is in onze samenleving het onvermogen te geloven gegroeid, terwijl het religieuze verlangen is gebleven en wellicht zelfs toeneemt. 

“Veel mensen geloven tegenwoordig niet meer in het bestaan van bijvoorbeeld God en een leven na de dood (…)”. 


Volgens een onderzoek uit 1997 ziet slecht 6 procent van de Nederlanders in godsdienst nog een uiteindelijke zin van het leven. Uit andere onderzoeken komt eveneens duidelijk naar voren dat het niet meer vanzelfsprekend is dat mensen nadenken over levensbeschouwelijke onderwerpen. 


De auteur stelt zichzelf de vraag of het mogelijk is religieuze ervaringen te hebben, zonder geloof. Of in zijn formulering: 

“Hoe kan wie niet gelooft maar wel religieuze verlangens heeft, een religieuze beleving krijgen?” 

Onder geloof verstaat hij dat iemand iets voor waar houdt wat hij of zij bij leven nooit zal kunnen weten. En onder religiositeit verstaat hij:

“alle ervaringen, gevoelens, houdingen en handelingen die vroeger altijd met geloof in traditioneel religieuze voorstellingen verbonden waren.” 


Dit onderzoek pakt hij bij de wortels aan en werkt hij minutieus uit. Hij beschrijft de diverse onderzoekers binnen de godsdienstwetenschap, die hierover iets hebben geschreven of gezegd. Daarnaast onderzoekt de auteur allerlei mogelijkheden om als agelovig mens een religieuze ervaring te ondergaan. Zo gaat hij uitvoerig in op het bestaan van religieus getinte kunstmanifestaties zoals het reli-spel waarbij ‘life action role players’ – zogeheten larpers – zich verkleden als kabouter, elf, heks, tovenaar of monnik. Op een bepaalde locatie spelen ze dagenlang een spel dat een metafysische theorie van transcendentie veronderstelt. 

“Het is voor hen een manier om ondanks twijfels en ongeloof actief aan religieuze rituelen mee te kunnen doen. (…) Het – agelovige – reli-spel kan alleen gericht zijn op het krijgen van levensbeschouwelijke inzichten, maar de speler kan ook openstaan voor religieuze belevingen.”


Tijdens een bezoek aan de prachtige kerk van Vézelay tracht de schrijver zich in te leven in de ervaringen die een Middeleeuwer moet hebben gehad. Hij onderzoekt verder het lopen van een pelgrimsroute, geestverruimende middelen, bezoekers of musici van religieuze concerten zoals de Mattheus Passie of de prachtige opera ‘Dialogues des Carmélites’ van Francis Poulenc. 


Van der Velde is in zijn boek dus op zoek naar DIEP religieuze ervaringen. Ervaringen dus waarvan ik zojuist constateerde dat die zich niet zomaar laten oproepen – wat de auteur overigens onderschrijft. In zijn woorden: 

“De beleving van intentionaliteit is (…) moeilijk stuurbaar – de invloed erop ligt ergens tussen niet helemaal en helemaal niet.”

Keer op keer moet hij concluderen dat hij weliswaar een zweem van religiositeit bij zichzelf waarneemt, maar het echte werk, een religieuze ontroering tot in het diepst van je wezen, blijft onbereikbaar. Hij tracht zich in te leven in hoe bijvoorbeeld de bezoekers van een reli-fictie event of andere gebeurtenissen waarbij moedwillig de religiositeit wordt opgeroepen, dit zouden ervaren. Het ‘doen alsof’ heeft kennelijk een bijzondere werking. 

“Doen alsof biedt de agelovige mens de mogelijkheid te proberen er op religieus gebied iets van te maken (…). Doen alsof geeft de mogelijkheid je actief bezig te houden met religieuze rituelen, en zo religieuze beleving na te streven. (…) Tijdens het spel wordt de aandacht door andere aspecten getrokken en ook daardoor verdwijnt de statusvraag even uit het zicht. Daarmee is die niet theoretisch opgelost, maar gedurende het spel verdwijnt zijn belang voor even. Hier slaat de ontnuchterende werking van reflexieve twijfel om in een religieuze.”


Als deze diepe ervaringen zo zeldzaam en niet oproepbaar zijn, zullen we genoegen moeten nemen met minder. De vraag is of we nog kunnen spreken van een religieuze ervaring, want het is inderdaad zoals Van der Velde zelf aangeeft, moeilijk daarvan de grens te bepalen. 

“Precies kan het onderscheid tussen wel of niet religieus niet zijn, elke grens is arbitrair. (…) Het is een kwestie van onder meer iemands persoonlijke smaak en situatie (…)”


Het conflict in mij

Ook ikzelf behoor tot die groep mensen die niet in staat is iets voor waar te houden wat ik bij mijn leven nooit zal kunnen weten. Een God als schepper, zoals die door de vele eeuwen door de mensheid in diverse gestalten aan ons is opgedrongen of voorgesteld, wil bij mij niet beklijven. Desondanks ervaar ik de vele opmerkelijke toevalligheden waar het bestaan uit is opgebouwd op zo’n manier, dat ik het niet langer meer als toevallig kan afdoen. Ik kan niet heen om het vermoeden van een intentie achter al die toevalligheden. 


Koert van der Velde hanteert het begrip ‘reflexieve twijfel’. 

“Het onbekende is tegenwoordig niet alleen bedreigend maar ook onweerstaanbaar aantrekkelijk. Want waar hiaten zitten, zijn mogelijkheden. Maar pas waar het bewustzijn doorbreekt dat achter iedere ontdekking weer een grens opduikt waarachter het onbekend is, komt de reflexieve twijfel in beeld.” 


Een reflexieve twijfelaar ben ik zonder twijfel. Maar het feit dat er op vrijwel alle zinvragen geen sluitende antwoorden bestaan, weerhoudt de reflexieve twijfelaar er niet van ze te stellen. Zolang ik mij dit kan herinneren stel ik namelijk zinvragen en tracht ik te begrijpen wat het is dat wij hier doen. Waartoe zijn wij hier gedurende een stip op de kalender der eeuwigheid? Dient het enig doel, en zo ja, welk doel is dat dan? Ik moet namelijk dit wonderbaarlijke bestaan binnen afzienbare tijd weer verlaten, zoals wij allen. Het liefst wil ik alles wat dit leven bevat, tot op de bodem ervaren. Maar dit ‘alles’ is zo veelomvattend en zo eindeloos dat dit ene armzalige leventje dat mij is gegeven niet toereikend zal zijn. Er is dus sprake van een innerlijk conflict. Hier ben ik, maar ik krijg slechts gelegenheid om hooguit een fractie van het bestaan te ontdekken. Het is alsof ik in een oceaan ben gedropt, waarvan ik in slechts één kubieke meter mag ronddobberen. Of in een oerwoud waarin ik niet meer dan één boom mag beklimmen. Met dit conflict in mijzelf moet ik in het reine zien te komen. Doe ik dat niet dan loop ik het risico verongelijkt te raken, waardoor ik mij alleen maar op de beperkingen in mijn leven focus. Of ik word hopeloos depressief omdat mijn verlangen naar de rest van de oceaan of het oerwoud mijn verstand blijft beheersen. Of ik slijt mijn dagen in blinde paniek in de wetenschap dat ik zelfs die ene boom of die kubieke meter water op een dag achter zal moeten laten. 


Diep religieuze ervaringen

Omdat dit ene leven kennelijk niet is bedoeld om het wonder van het bestaan in al zijn diversiteit, diepgang en oneindigheid te smaken, wil ik begrijpen waar het dan wel voor is bedoeld. In dit willen weten en begrijpen van de zin zit een religieus verlangen verborgen. 


Religieuze vervoering biedt geen oplossing of antwoorden, maar het biedt wel troost. Van der Velde beschrijft een religieuze ervaring die hij had toen hij de berg in de Sinaï-woestijn beklom, waar Mozes van zou zijn afgedaald met de stenen tafelen. Ook ik heb het geluk gehad enkele van dergelijke diep religieuze ervaringen te ontvangen. Wat er dan gebeurt, is niet eenvoudig in woorden te vangen. Het is een gevoel van absoluut weten, alsof het ineens volstrekt helder is dat er een zin is. Wat die zin omvat, blijft buiten het bereik van mijn besef, maar dat deed in geheel niet meer ter zake. Simpelweg het absoluut weten dat er een zin was, volstond. Het kenmerkende van deze ervaringen was de volledige afwezigheid van vragen. Tjeu van den Berk omschrijft het treffende in zijn Het numineuze: “Ervaringen die ter plekke zin geven aan het bestaan.”


De zinvragen verlaten mij dus alleen tijdens die sporadische en immer kortdurende momenten dat ik een diep religieuze ervaring heb. Alleen dan is alles helder. Nee, dat is niet correct geformuleerd. Er is geen enkele helderheid meer nodig. De behoefte aan duiding, aan antwoorden is verdwenen. Het voelt alsof ik een kort ogenblik weer deel uitmaak van Het Al. Alsof ik tijdens die korte ogenblikken van die ervaring ineens toegang heb tot de volledige oceaan en het volledige oerwoud. Het conflict is weg. 


Waar ‘geloof’ ik in?

De laatste tien, vijftien jaar, boeit het christendom mij voornamelijk vanuit historisch oogpunt. Ik lees veel over de gnostische richting, over de historiciteit van de figuur van Jezus – wiens bestaan door velen in twijfel wordt getrokken – en over de rol van de Roomse kerk door de eeuwen heen. Zingeving putte ik voornamelijk uit de enigszins populaire gedachte dat we zelf zin moesten geven aan ons leven. Het klinkt aardig, zelf zin geven aan je leven, totdat de ultieme vragen weer opdoemen, die vragen van de reflexieve twijfelaar. 


Sinds een paar jaar ben ik, mede door mijn kennismaking met het werk van de Amerikaanse Edgar Cayce, wat meer geïnteresseerd in de theorie van reïncarnatie. Het idee van Het Al, waar alle vormen van bewustzijn uit voortkomen en waar ze na hun incarnaties weer in worden opgenomen, spreekt mij wel aan. Maar er echt en onvoorwaardelijk in geloven, nee, dat is mij vooralsnog niet gegeven. Het is meer een gevoelsmatig vermoeden. 


Een andere gedachte die mij wel eens bekruipt is die van ‘a frame within a frame’. Wij bestuderen de atomen en neuronen en wat al dies meer zij, die in heel veel opzichten verdacht veel lijken op de constellaties van planetenstelsels. Ik ben geen kenner van de wetenschap, maar wat ik ervan begrijp is dat wij in onze zoektocht naar het wezen van materie, onze zoektocht naar het kleinste deeltje – the God particle – vooral hebben ontdekt dat materie voornamelijk uit ruimte bestaat. Veel ronde elementen die om elkaar heen zweven, met daartussen ruimte die zich niet laat definiëren. Dat lijkt toch veel op sterrenstelsels. Wat nu als wij, de aarde, in een universum oneindig veel groter dan het onze niets anders zijn dan een atoom, of een neuron, dat zweeft binnen veel ruimte? Dat wij dus, binnen die andere werkelijkheid niets meer zijn dan een klein onderdeel van een molecuul? De gedachte is grappig, maar biedt geen enkel antwoord op mijn vele zinvragen.


Wie doorvraagt belandt al snel bij de grenzen van zijn eigen verstandelijke vermogens. Als we al iets metafysisch kunnen begrijpen, loopt ons nadenken daarover, zeker in verband met de zin van ons bestaan, binnen de kortste keren tegen die grenzen aan. Maar waar hiaten zitten, zijn mogelijkheden. Die denkgrenzen wekken bij mij de indruk dat er zich buiten ons denkvermogen iets bevindt dat de zinvragen definitief het zwijgen op kan leggen. We kunnen het niet bevroeden, maar juist doordat ook ik geregeld op nogal pijnlijke wijze tegen de grenzen van mijn denkvermogen in deze aan knal, groeit het vermoeden dat daarbuiten, ‘beyond’, meer is. Mijn dunne en fragiele geloof komt neer op het besef dat juist omdat we de zinvragen niet kunnen beantwoorden vanwege de ontoereikendheid van onze intelligentie en ons beperkte referentiekader van ons leven en het tijdsverloop waarin we ons bevinden, dat we juist omdat we beperkt zijn, er zich dus een dimensie daarbuiten bevindt waar de vragen niet langer een rol spelen. Veel beter dan dit kan ik het met de woorden die ik tot mijn beschikking heb niet omschrijven.


‘Gewone’ religieuze ervaringen

De observatie dat een geloofsvoorstelling een kwestie is van smaak, keert met grote regelmaat terug in het boek. Gebruik van een hoge kwaliteit van religieuze beleving vraagt volgens Van der Velde om goede smaak. Natuurlijk vindt iedereen van zichzelf dat hij of zij een goede smaak heeft. 


In mijn persoonlijke zoektocht naar religieuze vervoering, of wat daarvoor moet doorgaan, kom ik al snel uit bij de kunsten met op de eerste plaats muziek, literatuur op plek twee en beeldende kunst is een goede derde. Er zijn veel werken die mij niet los laten, maar wat ik daarbij ervaar, beroert de snaren die specifiek bij míjn gevoel van smaak horen. Ik zou lange lijsten kunnen maken van kunstwerken die bij mij een ‘gewone’ religieuze ervaring oproepen. (Let wel: dit zijn andere ervaringen dan de diep religieuze ervaringen. Ik doel hier op de ervaringen die horen bij de categorie ‘genoegen nemen met minder’.) Maar juist omdat ze tot mij persoonlijk spreken, heeft zo’n lijst geen enkele zin. Daarom beperk ik mij tot één schilderij, één romancitaat en één muziekfragment.


Schilderkunst

Het schilderij dat mij diep weet te raken is het altaarstuk van St.-Jan de Doper uit het begin van de 16de eeuw van Gerard David. Het hangt in het Groeningemuseum in Brugge. Eigenlijk gaat het mij maar om één detail van het rechterpaneel waar de vrouw en kinderen van de schenker op staan afgebeeld. Achter de moeder zitten vier meisjes geknield. Alleen van het voorste meisje zijn de devoot samengevouwen handjes te zien. Het is het allermooiste meisje dat ik ken in de beeldende kunsten. Haar beeltenis roept een tergende verliefdheid in mij op, die zich samenbalt tot een religieuze vervoering. Het meisje van David. Een vriend van mij uit een vorig leven wilde ooit een roman schrijven met de titel Alle mooie meisjes komen in de hemel. Dat boek is er nooit gekomen, maar ik weet zeker dat het meisje van David daar nu is. Niet vanwege haar devote handjes, maar vanwege haar schoonheid die werd geboren uit de penselen van Gerard David. 


Literatuur

In de literatuur voert met name fictie mij weg van het hier en het nu, naar universa waar andere wetten gelden. Daar heeft de schoonheid ook ruim baan. Uit de talloze mogelijkheden heb ik voor nu gekozen voor enkele regels van Toon Tellegen. Deze schrijver is bekend om zijn dierenverhalen, maar dan in een andere traditie dan Anton Koolhaas. Zijn roman Het vertrek van de mier uit 2009 is in mijn ogen niets minder dan een meesterwerk. Het is een eigentijdse weergave van het ‘Ik denk, dus ik ben’. De grote levensvragen komen aan bod in een taal die ontwapent en ontroert. In het boek is de mier weg, hij is op weg naar de verte. Dit stukje gaat over de egel, die aan de mier dacht, maar niet wist of hij ernaar verlangde dat de mier terugkwam:

“Verlangen stoort gedachten, had hij eens op een muur gelezen. En dus verlangde hij niets, hoopte hij niets, zuchtte hij niet en was hij niet somber of verdrietig. Hij dacht alleen maar. (…) Op zijn deur prikte hij de brief, die de mier hem ooit had geschreven:

Beste egel,

De mier.

De mier had hem verteld dat in weinig woorden meer staat dan in veel woorden. In die brief stond alles.”


Muziek

Van de drie hoofdstromingen in de kunsten roept muziek het gemakkelijkst en het meest ingrijpend religieuze ervaringen bij mij op. De voor mij ultieme muzikale reis naar het sacrale, naar het allerhoogst denkbare, zit opgesloten in het midden van de vijfde symfonie van Dmitri Sjostakovitsj. Het gaat om één melodie die in het derde deel, het Largo, enkele keren wordt gespeeld. In mijn roman, De vergeten muze, heb ik getracht mijn innig religieuze gevoel te beschrijven die deze muziek bij mij oproept. 


De bejaarde schrijver Hank Glorie herinnert zich zijn eerste bezoek aan het Concertgebouw, waar onder meer de Vijfde van Sjostakovitsj werd uitgevoerd. Een citaat uit de roman:


Dankzij het Largo ontpopte deze avond zich als een van die zeldzame ervaringen waar magie het voor het zeggen heeft. Waar de handreiking van God naar de mens Adam, anders dan in het fresco op het plafond van de Sixtijnse Kapel, ver genoeg reikt voor écht contact.

Vanaf de inzet, waarvoor de dirigent voor zijn doen ongebruikelijk veel tijd nam, werd ik bevangen door een diep doorleefde melancholie die niet bij mijn leeftijd hoorde. Het was of dit wentelen in een lijdzame kwelling de doelloosheid van het leven leek op te heffen, alsof dit lijden – dat grensde aan paradijselijke verrukking – alle betekenis in zich droeg. Tot mijn verbazing merkte ik dat er tranen over mijn wangen liepen.


Een paar minuten nadat ik dit wonderbaarlijke onderkomen had betreden, werd ik bevangen door de inzet van de harpen. Ze speelden een ijle toonladder, waar de dwarsfluit zich in een hoger register bij voegde. Even later speelden de violen diminuendo een toonladder die door een hobo werd overgenomen. Boven de statische strijkers uit ontvouwde zich een zuivere en eenvoudige melodie waar ik niet op was voorbereid. De kracht van deze melodie laat zich niet beschrijven. Nog nooit had muziek mij zo diep geraakt.


Na de hobo herhaalde een klarinet de melodie, waarna een dwarsfluit het nog eens overdeed. Een drievoudig muzikaal eerbetoon aan schoonheid in haar meest pure vorm. Later leerde ik dat de componist dit stuk in slechts drie dagen heeft geschreven. Sommige thema’s hoorde hij in zijn dromen. Dat begrijp ik.


Het orkest speelde onverstoorbaar verder en door mijn tranen heen zag ik dat de man achter een mij onbekend toetsinstrument ging verzitten. Omgeven door de slepende mineurklanken schikte hij het eenzame velletje bladmuziek nog eens en zette zijn rechterhand op de toetsen. Wederom ingeleid door beide harpen sloot de toetsenist, die de celesta tot leven bracht, zich bij hen aan. Gedrieën speelden ze op instrumenten, die in de hemel moeten zijn bedacht, een laatste keer de droommelodie.


Het was alsof ik helemaal alleen in de concertzaal zat, alleen op de wereld was, content zwevend in Het Alles Voorbij. De eenvoudige notenreeks, die nog geen halve minuut duurde, werd door stilte omgeven. Na de laatste uitgerekte akkoorden van de strijkers bleef de anders zo gehaaste en beweeglijke dirigent met beide handen omhoog staan, om de betovering zo lang mogelijk in stand te houden.


Wie flirt met wie?

Als agelovig mens met een verlangen naar religiositeit moet ik wel op zoek naar momenten of situaties die een religieuze ervaring kunnen oproepen. De momenten dat mijn ziel echt samenvalt met God zijn erg spaarzaam. En het conflict in mij, het onbeantwoord blijven van de zinvragen, blijft die behoefte aan religiositeit in mij voeden. Met minder genoegen nemen – in architectuur, schilderijen, beelden, literatuur en muziek – is geen straf. Vooralsnog volstaat het en ga ik niet al te zwaar gebukt onder het feit dat ik alleen maar toegang heb tot die ene boom in dat oerwoud, of die ene kubieke meter in de oceaan.


Koert van der Velde memoreert aan het slot van zijn boek zijn bijzondere ervaring in de Sinaï-woestijn, die voor hem het begin inluidde van een zoektocht naar persoonlijke beleving. Hij vraagt zich af: “flirtte God toen even met mij?”

Ik vermoed dat dat het is! Tijdens mijn diep religieuze ervaringen, waarbij het conflict in mijzelf opgeheven was, zal God met mij hebben geflirt. En tijdens mijn ‘gewone’ ervaringen van innige schoonheid, zal het andersom zijn en flirt ik even met God.