Shúilleabháin, Eibhlís Ní - Letters from The Great Blasket

 

Het was alweer enige tijd geleden dat ik een Blasket-boek las en dit is dan eigenlijk nog een boekje ook. Maar de bescheiden omvang doet niets af aan de kwaliteit van de inhoud. Het bestaat voor ruim 90 procent uit brieven die Eibhlís Ní Schúilleabháin (ik gok erop dat ze  in het Engels Ellis O’Sullivan zou heten) schreef aan George Chambers die The Great Blasket bezocht. Af en toe is Chambers zelf aan het woord of John, de echtgenoot van Eibhlis.

 

Zij is de schoondochter van Tomás O’Crohan, de schrijver van het boek The Islandman wat bovenop mijn stapel te lezen boeken ligt inmiddels. Uitvoerig beschrijft ze de jaren voorafgaand aan zijn sterven, waarin hij lichamelijk tot vrijwel niets meer in staat was. Uiteindelijk schrijft ze vanaf het vasteland (Dingle) op 9 maart 1937: “my dearest father-in-law died peacefully and passed away to his reward (…)”

 

Het is exact zoals het voorwoord beschrijft: “Here in the letters, through the struggling idiom and laboured passages, emerges the fascinating detail of a strange and different way of life (…). Here the struggle is not for the luxury of meaning in existence, but for existence itself (…)”

 

Het boekje is in enkele thema’s onderverdeeld, waar de briefpassages over gaan, zoals ‘Marriage and childbirth’, ‘Death on the Island’ en ‘The inevitable end’. Het Engels is inderdaad nogal shaky, en het Ierse accent klinkt er bijna in door. De brieven zijn ook allerminst hoogdravend of diepgaand. Ze weerspiegelen het leven van alledag op het eiland, en dat is nu exact wat mij interesseert. 

 

Het slothoofdstuk over het onvermijdelijke einde – het eiland werd in 1953 geëvacueerd, omdat de regering het niet langer verantwoord achtte voor het handjevol resterende bewoners om daar te blijven – heeft mij het diepst geraakt. Er spreekt een troosteloosheid die ik goed kan navoelen. Het is het verlies van een cultuur, de Ierse cultuur en van hun taal. Langzaamaan raakt het eiland leger en leger. In februari ’39 schrijft Eibhlís: “The Island is just dead I may say but just for old times sake I sang a few verses myself of the old school songs we used have.”

 

In november van datzelfde jaar beschrijft ze hoe haar dochtertje, Niamh, ziek wordt. “We used [to] leave her in the cradle until midnight and used [to] be oiling her throat and up and down with her in the midst of the storm looking at our child and that we can’t do nothing for her to reliefe [relieve] her. (…) The day was terrible the six days and the sea was far from being fine but God gave them the chance of going in and out with the nurse and saved our child.”

 

Het is moeilijk voor te stellen dat het leven op het eiland volledig afhankelijk was van het weer. Er was op het eiland geen dokter, dus moest er op goed weer worden gewacht, voordat een dokter de oversteek kon maken om haar dochter te helpen. 

 

Ook economisch kunnen de eilanders het niet langer bolwerken. Eibhlís droomt ervan dat haar man John een baan op het vasteland vindt, zodat ze geen honger meer hoeven te lijden. Lange tijd bestaat het enige voedsel uit aardappelen, wat zelfs wanneer het zout op is, nog smakeloos is ook. Een aantekening van februari 1940: “Every family is quite tired of the wind and rain and would prefer to be in any other place in the world than here.”

 

Het ene na het andere huis wordt verlaten, en de enkele oudjes die overblijven sterven uit. In februari ’42 hakt het jonge gezin eindelijk de knoop door: “We have determined at last to leave this lovely Island (…) times are changed and expecially for us here with a child at school age and no school (…).”

Als ze eenmaal de oversteek heeft gemaakt schrijft ze een jaar later: “In the bad weather I don’t miss my lovely Island so much but in the warm weather of course I think of the beautiful scenery of my Island which I did not admire so much until now.”

 

Ja, een prachtig document humain over de allerlaatste stuiptrekking van een cultuur die teloor is gegaan.

 

Gelezen: juli 2014

Boeken algemeen