Tellegen, Toon - Het leed van de stoftor

De bekende uitspraak ‘Niet het vele is goed, maar het goede is veel’ is zonder meer van toepassing op de laatst verschenen dierenroman van Toon Tellegen. Het boekje telt 128 pagina’s waar bovendien nog eens erg veel door wit in beslag wordt genomen. Maar dat is prima. De gecomprimeerde taal en de schier onuitputtelijke voorraad van variaties op hetzelfde thema waarover de schrijver beschikt, zorgt voor weer een erg mooi boek.

 

Al geruime tijd volg ik het werk van Tellegen – wat de dierenverhalen betreft – en in toenemende mate wordt hij in mijn beleving de Mondriaan van het geschreven woord. Langzaam maar zeker verdwijnt de opsmuk in zijn taal en worden de landschappen, thema’s en gebeurtenissen eenduidiger. Meer hoeft ook niet.

 

De stoftor – De wat? De stoftor! – woont op de maan, waar hij het eigenlijk niet naar zijn zin heeft. Het is er te koud of te warm, en hij is volledig alleen en eenzaam. Ook heeft hij helemaal niets te doen. Het is zelfs de vraag of hij eigenlijk wel bestaat. 

 

“Soms dacht hij ook dat hij zichzelf verzonnen had.” 

 

“Als je helemaal alleen op de maan woont en niemand weet dat je bestaat, wat heb je dan aan eerlijkheid?”

 

“Hij was nergens voor nodig. (…) hoe kan je belachelijk zijn als er niemand is om je belachelijk te vinden?”

 

Omdat hij meer dan hunkert naar aandacht – al was het maar om zijn eigen bestaan bevestigd te zien – roept hij op een dag keihard door een toeter naar de aarde: “Het spijt me!”

 

Alle dieren horen het, ook al wordt het vanaf de maan geroepen. En alle dieren interpreteren het op hun geheel eigen, karakteristieke manier. De een begrijpt het volkomen en de ander weet niet wat hij met deze woorden aan moet.

 

Volgens de mier zijn ‘het spijt me’ ware woorden.

“Je hebt ware woorden en onware woorden, meende hij. ‘Het spijt me’ waren ware woorden. ‘Hartelijk welkom’ waren bijvoorbeeld onware woorden. En ‘Hoe gat het ermee’. Dat zei hij dan ook nooit.”

Omdat de mier alles weet, verwacht hij dat de dieren vast bij hem een verklaring komen halen voor deze woorden die door een grote onbekende zijn geroepen.

“Hij zou daar geen antwoord op geven. Sommige antwoorden waren meer dan de dieren konden verdragen. Want wat moesten ze bijvoorbeeld met ‘Dat kan ik niet onder woorden brengen’?” 

 

De secretarisvogel wil de dieren per brief ervan op de hoogte stellen “dat woorden niet langer toereikend waren. Ze hadden hun langste tijd gehad.” Maar net als hij dat op papier heeft gezet, weet hij niet hoe hij verder moet. De uitroep van de stoftor verlost hem van zijn writer’s block. Ineens weet hij het vervolg van zijn brief:

“Het spijt me dat ik u dit moet laten weten.”

 

Voor de woelrat bestaat er geen enkele twijfel:

“Spijt was zo overbodig, meende hij. Hij wou dat er een bijeenkomst kwam op de open plek in het bos, waarbij alle dieren aanwezig waren, en waarop spijt officieel overbodig werd verklaard.”

 

Met de dierenromans van Tellegen lijkt het steeds sterker de kant op te gaan van de brief die de mier ooit aan de egel had geschreven (in Tellegens absolute meesterwerk Het vertrek van de mier). 

“Beste egel,

De mier.

De mier had hem verteld dat in weinig woorden meer staat dan in veel woorden. In die brief stond alles.”

 

Dit geldt zeker voor 'Het leed van de stoftor': ingedikte taal waar desondanks nagenoeg alles in staat.

 

Gelezen: februari 2019