Tellegen, Toon - Het verlangen van de egel

[Waarschuwing: deze leeservaring heeft een hoog 'spoil-gehalte'.]

 

Dit is al het zesde boek van Toon Tellegen met een van de dieren uit zijn verhalenbundels in de hoofdrol. Deze keer is de bühne helemaal gereserveerd voor de egel. Hij schaamt zich voor zijn stekels, maar is er tegelijkertijd trots op. Of tenminste, hij accepteert dat ze bij hem horen. Toch voelt hij zich eenzaam, omdat hij nooit bezoek krijgt, al vindt hij dat eigenlijk ook weer niet erg. 

Kortom, de egel is een vat vol tegenstrijdigheden.


Vrijwel het gehele boek speelt zich af in de gedachten van de egel. Vrijwel niets gebeurt er werkelijk. Aan het begin schrijft de egel een brief aan alle dieren, waarin hij ze allemaal uitnodigt bij hem op bezoek te komen. Daaronder schrijft hij:

"Maar als er niemand komt is het ook goed." 

Hij aarzelt lange tijd en besluit dan de brief maar in een la te leggen in plaats van hem te versturen. Dit vormt de basis van alles wat de egel zich voorstelt in het geval dat hij de brief wel zou hebben verstuurd. 

 

Hij weet dat hij nooit bezoek krijgt, vanwege zijn stekels. In een voetnoot onderaan de brief schrijft hij:

“Mijn stekels stellen niets voor.”

Maar even later denkt hij toch:

“Mijn stekels stellen wel wat voor (…). Mijn stekels stellen heel veel voor. Hij knikte. Meer dan ikzelf.”


De egel verbeeldt zich het bezoek van diverse dieren, te beginnen met de slak en de schildpad. Deze keren als een soort van Laurel en Hardy diverse keren terug in de gedachten van de egel. Ze gaan namelijk op pad naar de egel, maar de chagrijnige slak die het liefst stilstaat en de goed bedoelende schildpad die wel voortgang wil maken, zullen waarschijnlijk nooit aankomen. Het zijn hilarische hoofdstukken met dialogen als navolgende: 

“‘Waarom heb jij eigenlijk geen huisje?’

‘Ik heb een schild,’ zei de schildpad.

‘Een schild! Welja! Hij heeft een schild! Zal ik jou eens wat vertellen?’

‘Nou?’

‘Iedereen heeft een schild.’

‘Nee hoor.’

‘O nee? Wie heeft er dan geen schild?’

De schildpad dacht even na en zei toen zachtjes: ‘De olifant.’

‘De olifant!’ riep de slak. ‘Die heeft een enorm schild! Maar geen huisje.’

‘Nee, geen huisje,’ zei de schildpad. Hij wilde graag verdergaan.

‘Zie je wel!’ riep de slak en hij keek triomfantelijk om zich heen. ‘Hij heeft geen huis. Ik heb dus gelijk.’

(…)

(De egel) kneep zijn ogen dicht en zag ze weer voor zich: schuifelend, stilstaand, mopperend en onafscheidelijk.”


Als de egel zich aan het slot van het boek voorstelt hoe de schildpad alleen bij hem op bezoek komt, herhaalt deze voortdurend hoe graag hij had gewild dat de slak er ook bij was.

"Hij zou zo genieten..."

Aan het einde van het bezoek zegt de schildpad dat hij 'terug naar hem' gaat. 

"'Je wacht op mij, hè', hoorde de egel hem fluisteren. 'Ik kom al. Ik ben toch je vriend? Ik kan niet langzamer. Het spijt me...'"

Nu voelt de egel zich echt eenzaam.


Regelmatig bedenkt de egel hoe zijn eenzame maar vertrouwde leventje overhoop zal worden gegooid door al het bezoek dat hij over zichzelf afroept, als hij de brief verstuurt. Steeds speelt er binnenin hem een tweestrijd af tussen concessies doen aan zijn bezoek en toch zichzelf blijven. Veelal eindigen de gedachtes met een conclusie als:

“Ze moeten me nemen zoals ik ben, met stekels en al.”

Op een dag vraagt hij zich af of hij echt wel eenzaam is.

“Ik heb toch mijzelf?”

Voor de spiegel staand, begint hij een dialoog met zichzelf. Maar uiteindelijk zucht hij en denkt:

“Als die hele mijzelf eens niet bestond… dat zou toch kunnen?... en als ik dan in mijn spiegel keek en niemand zag… dan was ik pas echt alleen!”


Heel veel dieren komen in de gedachten van de egel op bezoek: de olifant, de struisvogel, de walvis, de beer, de neushoorn, de pad, de mier, het nijlpaard, de houtworm en nog veel meer dieren die allen hun eigenaardigheden tentoonspreiden tegenover de egel. Zo bedenkt de egel een merkwaardig maar leuk bezoek van het aardvarken, waarbij het aardvarken zegt dat hij de egel het bijzonderste en het mooiste dier van de hele wereld vindt, waarna ze met elkaar gaan dansen.

“Tot daar moet ik denken, dacht hij. Dat hij dat zegt en dat we samen dansen. Niet verder. Hij wou dat hij een streep kon trekken in zijn gedachten waar hij niet voorbij kon denken, maar hij wist dat hij altijd weer verder dacht en dat hij hoe dan ook de egel was en stekels had (…)”. 


Een ander pareltje is het denkbeeldige bezoek van de nachtegaal, die iets voor de egel zingt.

“En het duurde niet lang of de egel voelde dat er tranen langs zijn wangen stroomden. Hij vond dat vreemd. Ik heb toch geen pijn? dacht hij. En ik ben toch niet verdrietig?”

Als hij later in zijn bed ligt, hoort de egel in gedachten de nachtegaal weer zingen en hij

“voelde de tranen weer over zijn wangen stromen. Van geluk, dacht hij. Dat zijn tranen van geluk.”


Vrijwel niets gebeurt er werkelijk, schreef ik aan het begin van deze leeservaring. Tot aan het voorlaatste hoofdstuk. Als de egel eindelijk heeft besloten dat hij geen bezoek wil en de brief verscheurt, wordt er op de deur geklopt. Het is het meest zachtzinnige en minst zelfzuchtige dier van het bos: de eekhoorn. Hij komt op bezoek bij de egel. “‘Zomaar. Ik dacht: misschien vind je het wel gezellig als er iemand op bezoek komt.’”

Ze eten van de honing die de eekhoorn heeft meegenomen en die de egel nog in de kast had staan, drinken thee en knikken af en toe naar elkaar.

“In de loop van de middag hoopten ze dat de tijd stil zou blijven staan (…) en dat de thee en de honing nooit op zouden raken.”


In het laatste hoofdstuk is de winter aangebroken en stelt de egel zich voor dat hij van de dieren brieven ontving waarin ze hem bedankten dat hij hen niet had uitgenodigd.

“Ze waren allemaal zijn vrienden en zouden altijd zijn vrienden blijven, bezoek was nergens voor nodig. Alleen de eekhoorn schreef iets anders: ‘Wat was het gezellig, egel’, en daaronder: ‘Tot gauw!” De egel kneep zijn ogen dicht en zuchtte diep. Tot gauw… dacht hij. Dat waren de mooiste woorden die hij kende.”


Ja, ik hou van de boeken van Toon Tellegen. Ook deze is weer om in te lijsten en regelmatig uit de lijst te halen om enkele prachtige zinnetjes te snoepen.

 

Gelezen: oktober 2014


Boeken algemeen