Aan een karakter. Brieven aan Jeroen Brouwers

Zeer geachte heer Brouwers,

 

Het lezen van ‘Aan een karakter’, de bundeling van felicitatiebrieven naar aanleiding van uw 80ste verjaardag, inspireert mij om zelf een brief aan u te schrijven. 

 

Wij hadden vluchtig contact in 1992, in de tijd dat u in Uitgeest woonde. Ik werkte aan een essay over de rol van Anne Walravens in uw schrijverschap. Via bevriende schrijvers had ik uw telefoonnummer verkregen. Tijdens ons eerste telefonische contact verbaasde u zich erover dat ik Anne Walravens noemde. “Haar naam komt nergens voor in mijn werk,” zei u. Toch was u kennelijk gecharmeerd van mijn jeugdige speurlust, want u stuurde mij enkele documenten en zegde mij uw medewerking toe. Prestatieangst en verregaande onzekerheid verhinderden mij destijds het stuk te voltooien. (De enkeling die iedere snipper over Brouwers wil zien, kan hier alsnog het onvoltooide ‘De dolende Tithonos’ inzien.)

Getuige het abd-darium van Dirk Leyman, is de naam Anne Walravens inmiddels gemeengoed onder de Brouwers-adepten. 

 

 

Het is onbegonnen werk om proberen te beschrijven hoe belangrijk uw boeken zijn voor mij. Dat ik zelf inmiddels heb gepubliceerd – en mij dus ‘schrijver’ mag noemen – heb ik aan u te danken. Natuurlijk spelen ook mijn eigen schrijfdrang en hardnekkige volharding daarin mee. Toen ik in 1985, schrijvend aan mijn derde roman, uw boek ‘Winterlicht’ las, drong het tot mij door dat wat ik aan het doen was weinig tot niets met schrijven te maken had. Mijn eerste twee romans lagen op de plank en ik had niet de behoefte gevoeld ze in te sturen naar een uitgever. Gelukkig maar. Want ineens begreep ik dat het echte schrijven moeilijk was, dat daarvoor geduld, kennis van taal en gevoel voor schoonheid nodig waren. Ongetwijfeld was ik vroeger of later tot het inzicht gekomen dat wat ik tot dan toe voor schrijven had gehouden, in feite weinig daarmee van doen had. Maar ‘Winterlicht’ bracht mijn naïeve schrijversgalop abrupt tot stilstand. Mijn ‘tempo dahoeloe’ was ten einde, en hoewel de klap hard aankwam, was hij noodzakelijk.

 

 

 

 

Sindsdien mis ik niets van wat er van uw hand verschijnt – op de diverse bibliofiele uitgaven na dan. Ik heb zelfs nog uw jeugdzonden over Couperus en Edith Piaff opgedoken. En zoals enkele van de brievenschrijvers in ‘Aan een karakter’ aangeven, ben ook ik bevreesd voor het moment dat uw schrijven definitief ten einde zal komen. En evenals hen had ik niet verwacht dat u deze gezegende leeftijd zou behalen met onverminderde productie en stijgende kwaliteit. Waarvoor ik meer dan dankbaar ben. Zoals de diverse blessuretijdboeken (Restletsels, Het hout en uw laatste tour de force: Cliënt E. Busken). Maar u bent er nog en u kan het nog en u doet het nog.

 

 

Hoewel u ons al veel meer hebt geschonken dan waar we op mochten hopen, durf ik het toch aan enkele verzoeken bij u in te dienen. Schrijf nog een keer een polemiek. Me dunkt dat u met uw gedwongen vertrek uit Zutendaal meer dan voldoende ‘stof’ heeft – al is dat inderdaad geen literair onderwerp. En… uw brievencollectie na 1986… Er zijn weinig brievenbundels als uw ‘Kronieken’ (de oorspronkelijke bij Houtekiet verschenen delen) die zo leerzaam, vermakelijk en authentiek zijn. Anders dan u, houd ik wél van brievenbundels. En hoewel u op uw eigen strenge literaire gronden ongetwijfeld gelijk heeft in uw dedain voor dit boekgenre, uw ‘fans’ verdienen dit wellicht, vraagteken? 

 

 

 

 

 

Ik wens u op deze hoge leeftijd en gezien uw lichamelijke ongemakken vooral tevredenheid toe, voor zover u daartoe enig talent heeft. Dat u misschien toch nog wortels slaat in uw nieuwe onderkomen in Lanaken en dat u, rustend op uw lauweren, veel van uw document humain geschriften zult vrijgeven ter publicatie. En dat uw eredoctoraat de opmaat moge zijn tot nog groter literair eerbetoon. Het komt u toe.

 

 

 

 

Gelezen: juni 2020